‘Het kan niet zonder de moeders’

‘Het kan niet zonder de moeders’

‘Ik wist wel dat mijn jongste zoon problemen had, maar was volstrekt overvallen toen de politie voor de deur stond om hem mee te nemen. Hij werd verdacht van een straatroof. We waren altijd open tegen elkaar, dus ik wilde van hemzelf horen of het waar was. Het was zo. Ik was zó teleurgesteld. 

Vanaf dat moment stond de politie vaker op de stoep. Soms terecht, maar soms ook onterecht: hij had inmiddels een stempel. Op een dag kwam er een brief. Mijn zoon was opgenomen in de Amsterdamse Top 600: een lijst met zeshonderd jonge, gewelddadige criminelen. In de brief stond: ‘Wij gaan u helpen.’ 

‘Nou’,   zei ik, ‘Heel graag. Daar sta ik helemaal voor open.’ Maar in de praktijk moest ik vooral meewerken met heel veel verschillende hulpverleners. We moesten in therapie, naar jeugdzorg, naar de Raadkamer. Het was allemaal heel versnipperd en ze waren volledig gefocust op mijn zoon en deden, ook waar ik bij was, net alsof ik er niet was. Als ik zei: ‘Dat heb ik al gedaan, moeten we niet wat anders proberen?’, werd er gedreigd met een zorgmelding en zou ik mijn kind kwijt kunnen raken.

De hulpverlening zei: hij mist een vader. Maar er was veel méér aan de hand. Het was een Havo-VWO jongen, die in Zuid op school zat en zich daar helemaal niet thuis voelde. Hij voelde zich buitengesloten, vooral door de leerkrachten. Als zijn medeleerlingen iets deden en hij deed exact hetzelfde, dan werd hij erop aangesproken. Hij heeft een sterk rechtvaardigheidsgevoel. Dat kan je positief of negatief inzetten en helaas ging dat bij hem verkeerd. Maar als ik zei: ‘Moeten we niet beter naar de oorzaken kijken?’,  werd daar niets mee gedaan. 

Als mijn zoon weer was opgepakt, zei de politie tegen mij: ‘Jij hebt het niet allemaal op een rijtje. Je kan het niet aan, hè?’ Een politieagent zei tegen de moeder van een andere jongen: ‘Er komt toch niks van hem terecht, hij komt niet uit een goed nest.’ Dat gaf een trap na. Ik ging geloven dat ik echt een slechte moeder was. 

Het had allemaal een enorme impact op mijn gezin. Mijn andere zoon, die een jaar ouder is, kwam in de Top-400 van jongeren die dreigen af te glijden in de criminaliteit. Dat doen ze uit voorzorg met de broers van de jongens uit de Top-600, maar voor hem was dat enorm stigmatiserend: ‘Ik heb toch niks gedaan?’. Juist doordat hij op die lijst kwam, ging hij helemaal los. 

Mijn jongste zoon gaf zichzelf de schuld dat al die mensen ons gezin in- en uitliepen. Ik weet nog dat hij zei: ‘Omdat mijn moeder niet gelukkig was, had ik ook geen reden om gelukkig te zijn.’

Mijn jongste dochtertje was altijd een vrolijk kind geweest, maar ik zag dat zij niet meer lachte. 

En ik was zelf constant bezig met mijn zoon en nam nauwelijks tijd voor mezelf. Ik was altijd een sterke vrouw geweest, maar raakte geïsoleerd en ging mezelf verwaarlozen. Op een gegeven moment was ik zo op, dat ik met hartklachten in een ambulance belandde. De hulpverlening zei: ‘O, dan gaan de afspraken even niet door. We laten je even met rust.’ Mijn zoon was woedend: ‘Waar zijn jullie nu? Nu zijn jullie juist nodig.’ 

Op dat dieptepunt ben ik terug gaan vechten. Ik besloot een brief te schrijven aan burgemeester Van der Laan. Ik begon aan een formele brief, maar dacht toen: nee, ik moet de pen in mijn hart dopen. Dus ik schreeuwde om hulp. ‘U bent verantwoordelijk voor deze aanpak en het is op papier ook een prachtig plan, maar het werkt niet en ik ga eraan kapot.’

Van der Laan schreef terug: ‘U kunt beter meewerken en de kansen voor uw gezin pakken.’ Ik dacht: flikker toch op, man. Maar hij hield wel ons dossier in de gaten. En toen kreeg ik een andere hulpverlener: Wouter. 

Wouter begon met het filteren van de overbodige hulpverlening: wat doet die in het gezin en is dat nodig? Daarna zette hij ons allemaal op een eilandje: iedereen moest apart aan zichzelf werken en zo bracht hij ons langzaam naar elkaar toe. Ik moest in therapie en ruimte voor mezelf creëren en mijn zoon ging ook in therapie. En hij ging weer naar school. 

Wouter was 24 uur per etmaal beschikbaar. En dat is ontzettend belangrijk, want veel problemen doen zich niet voor tussen 9 en 5. Dus als de jongens tekeer gingen, kon ik Wouter bellen, ook al was het middernacht. Dan kwam hij aanrijden om ze uit elkaar te halen. Mijn jongens luisterden ook naar hem, omdat hij duidelijk was en geen valse beloftes deed. 

En Wouter praatte niet over mijn hoofd heen, maar zocht samen met mij naar de beste oplossingen. Hij nam me ook mee naar het uitvoerdersoverleg. ‘Het gaat over haar gezin’,  zei hij. ‘Dus zij moet er ook bij zijn.’ Toen kreeg ik mijn stem terug. En vanaf dat moment zaten we in een stijgende lijn. 

Op een keer zat ik bij een platform van slachtoffers en hoorde ik hoe ze over moeders praatten: ‘Ze zijn zielig en zwak en niks kan ze schelen.’ Toen ben ik opgestaan en heb ik gezegd: ‘Ik ben een top 600- moeder en het is niet zoals jullie denken dat het is. Als jullie criminaliteit willen bestrijden, hebben jullie ons moeders nodig.’ 

Toen heb ik de stichting De Moeder is de Sleutel opgericht: een groep moeders die andere moeders ondersteunt. Veel moeders met kinderen in problemen leven vaak heel geïsoleerd. Ze zijn bang te worden gestigmatiseerd en hebben geleerd dat je er beter niet over kan praten. 

Wij willen die moeders laten weten dat we er voor hen zijn. We proberen ze weer in hun kracht te zetten. Als het niet goed gaat met je kind, voel je je als moeder altijd schuldig. Maar het ligt niet altijd aan jou. Een kind heeft ook een stukje van zichzelf. En er is de omgeving. 

Ik wil moeders ondersteunen en laten zien wat hun rechten zijn. En ik wil ook hun kinderen ondersteunen. Mijn zoon is ook actief in de stichting. Ik praat met moeders om uit te leggen hoe hun kinderen zich voelen. En hij praat met de kinderen om te vertellen hoe hun moeders zich voelen. 

We gaan ook de dialoog aan met de politie en de hulpverlening. We staan te ver van elkaar af en er is wantrouwen dat al van generatie op generatie is doorgegeven. Er is een moeder die hartkloppingen krijgt als ze een uniform ziet. We proberen naar elkaar te luisteren en elkaar te zien. We leren veel van elkaar. Eén moeder zei: ‘ik had nooit gedacht dat ik zou lachen met een agent.’

Tegenwoordig verwijzen hulpverleners en politie moeders nu naar onze stichting. En ik vertel op hun opleidingen vanuit het perspectief van de moeders. Dankzij de stichting worden moeders nu gezien en gehoord, maar ik wil meer. Ik wil bereiken dat we aan alle tafels zitten en meepraten. 
We zijn nu twee jaar verder en ik laat overal mijn stem horen waar het nodig is. Ik had nooit gedacht dat ik dit zou doen, maar het was nodig. 

Het gaat nu goed met mijn gezin. We doen wat elk gezin doet: werken, naar school gaan, troep maken in de kamer, gamen, maar wel met toekomstperspectief. Mijn zoon heeft zijn diploma gehaald en volgt nu een opleiding voor theaterdocent, want hij snapt hoe belangrijk het is om je gevoel te uiten. Hij is 19, maar woont gelukkig nog heerlijk thuis.’

Interview: Marijke Verduijn

https://www.facebook.com/demoederisdesleutel/ 
https://www.demoederisdesleutel.nl/