‘Ik ben drie keer van naam veranderd’

‘Ik ben drie keer van naam veranderd’

Mijn ouders waren vanaf het begin altijd open: je staat met één been in Nederland en één been in Zuid-Afrika. Mijn vader kwam vaak aanzetten met artikelen over Zuid-Afrika. Hij gaf me laatst nog een hele toffe plaat met Zuid-Afrikaanse muziek. Ze waren ook altijd super open met documenten. Mijn naam is drie keer gewijzigd. Op een dag zeiden mijn ouders: “We zijn er achter gekomen wat je echte naam is. Wil je die dragen?” Ja, dat wilde ik. Later kwam ik erachter dat dat heel veel geld kost.

Ik was toen ik 16 was een keer zo boos op m’n moeder, dat ik zei: “Je bent toch niet m’n biologische moeder, dus waarom zou ik naar je luisteren?” Dat raakte m’n moeder natuurlijk heel erg. Dus naderhand ben ik naar beneden gegaan en heb ik gezegd: “Dat was echt niet chill. Dat spijt me.”

Ik hou heel veel van m’n ouders. Als er iets gebeurt, spring ik er meteen voor. Maar op emotioneel gebied past mijn zus beter bij hen dan ik. Mijn moeder wilde nooit dat ik haar zag huilen, maar ik vond dat juist heel belangrijk. Het hielp mij om te zien dat ze ook maar een mens is. Dat het ook haar eerste keer is dat ze moeder is en opvoeder.

Er zijn absoluut ergere plekken om op te groeien dan Kampen, maar mijn zus en ik kregen soms best racistische opmerkingen naar ons hoofd en mijn moeder is ook wel naar school geweest om het daarover te hebben.
En andere kinderen van kleur, die wel door hun biologische ouders werden opgevoed, zeiden soms: “Je bent een bounty: zwart van buiten, maar wit van binnen.” Er zijn er ook die heel uitnodigend zijn, hoor. Maar je hoort nergens echt bij. Ik vond zwarte mensen echt heel tof, maar wilde ook zoveel mogelijk wit zijn. Ik wilde zo min mogelijk opvallen. Maar als ik de deur uitloop, ben ik op straat gewoon een zwarte vrouw. Er waren ook situaties waarin mijn ouders moesten zeggen: “Maar dit zijn mijn kinderen.” Dat gevoel: ik ga er nooit écht komen. Dat wil ik adoptieouders ook vragen: besef je dat je kind daar doorheen moet?

Daar hadden we thuis best heftige gesprekken over. Ook over bijvoorbeeld Zwarte Piet. Vroeger hield ik van Zwarte Piet, omdat hij op mij leek. Tot m’n zus een keer een oud plaatje liet zien van Zwarte Piet met kettingen rond z’n enkels. Dat we het daarover konden hebben, laat zien hoe open, warm en ontwikkeld mijn gezin is.

Er is heel veel mis met het systeem. Het is soms een schimmige wereld, waar ook financiële belangen achter zitten. En er zit in adoptie ook iets van white saviourisme. Ouders willen heel graag een eigen kindje, maar willen ook iets goeds doen: een kind uit de armoede halen, betere kansen geven. Wij als westerlingen vinden dat je pas een goed leven hebt als dat aan bepaalde voorwaarden voldoet. Maar in het land van herkomst voldoen ze aan andere basisdingen. Ik heb heel erg het communitygevoel gemist toen ik hier kwam. Ik miste m’n aunties en uncles die geen familie waren, maar wel voor me zorgden. Het is hier zo individualistisch. Ik miste ook het leven in dichtbij de natuur.

Dat er dingen zijn die je als geadopteerd kind heel moeilijk tegen je ouders kan zeggen. Dat je zo vaak hoort dat je wel dankbaar zal zijn, maar dat je dat ook vaak niet bent. Dat het pijnlijk is dat je niet op je ouders lijkt. En dat je ouders wel kunnen zeggen: “Ja, maar voor ons ben je echt ons kind”, maar dat dat niet zo is. Dat je soms voelt dat je niet bij je ouders past. Adoptiekinderen kwamen zo graag op de Protea-weekenden, omdat we daar onder elkaar waren en niet anders waren en elkaar niets hoefden uit te leggen.

Soms worden kinderen tegengehouden als ze op zoek willen naar hun biologische ouders: je bent nog te jong. Maar als je te lang wacht, kun je te laat zijn. Mijn biologische vader is overleden toen ik 13 was. Ik had van mijn ouders absoluut op zoek mogen gaan, maar was er toen nog niet in geïnteresseerd.
Ik vind het heel erg belangrijk dat we als geadopteerden daar onderling meer over spreken en ons daarover uitspreken.

En wat als je als kind niet kan voldoen aan het idee dat ouders hebben? Als je als kind voelt: het voelt niet veilig genoeg om dit met mijn ouders te delen? Soms worden adoptiekinderen uit huis geplaatst, soms hebben ze geen contact meer met hun adoptieouders. Daardoor word je opnieuw geschaad. Je hebt al een keer je ouders verloren. Je hele familie verloren. Ik wil laten zien: het is super complex, maar we zijn er en dat vraagt ook werk van adoptieouders.

Dat was best lastig. Ik vroeg ze waarom ze een kindje wilden adopteren. Wat ze dachten dat adoptieouders vooraf moeten weten. Wat vind jij dat in een basispakket van een adoptieouder moet zitten? Hoe ziet de ideale adoptieouder eruit? Wat wilde je het kind bieden? Of: vind je dat je je kind jouw religie mag meegeven? Het komt uit een heel andere cultuur, misschien wil het meer weten over religie in diens cultuur. Kan dat? Waarom wilden jullie niet voor een kind uit Nederland zorgen? Dat lijkt op jullie, hoeft niet opnieuw te integreren en heeft niet te maken met discriminatie en racisme.

Voor veel adoptieouders is het heel lastig om zich kwetsbaar op te stellen. Ze hebben voor hun gevoel zo hun best gedaan. Soms wilden ze geen antwoord geven en kapten ze het gesprek af: “Wat weet jij nou van ouderschap?” Of: “Je bent nog zo jong.” Dan gebeurt er iets hiërarchisch in het gesprek. Dat vind ik jammer, want ze gaan tegen ditzelfde hiërarchische aanlopen met hun kind. Ben je ook geschikt als adoptieouder in the long run? Als je kind ouder wordt en wil praten? Maar daarin heeft ieder z’n eigen proces.

Kinderen moeten helen uit het verleden, maar ouders kunnen dat in de weg staan. Als je allebei kunt erkennen dat je een obstakel hebt, kun je echt gaan praten en gaan bonden. In plaats van het plaatje hoog houden hoe een gezin zou moeten zijn en hoe een ideaal kind zou moeten zijn.

Ik heb recent m’n biologische zussen en broer gevonden. Ik bleek daar ook de jongste te zijn. Mijn zus is ook terug geweest naar haar familie. Ze zag er helemaal anders uit: ze glom. Dat zie je ook bij anderen. Ook al is het allemaal niet ideaal, er gebeurt wel iets. Ze zijn thuis. Dat gun ik iedereen.
Na dit stuk wil ik graag gaan studeren in mijn land van herkomst. Niet even teruggaan om m’n familie te ontmoeten en een soort vakantie te houden, maar er echt leven. Het land en mijn cultuur echt leren kennen.

Ik heb het geschreven voor mijn eindexamen en nu hernomen en herschreven. Dat vind ik ook doodeng. Soms zit ik huilend m’n script te schrijven, omdat ik nog dieper wil gaan. Het wordt ook steeds confronterender.

Dan denk ik: dit is het, maar het gaat heel zwaar worden om dat straks uit te spreken. Maar ik vind confrontatie een heel belangrijk woord. Voor geadopteerden, voor adoptieouders en voor de buitenwereld. Er was een adoptiestop, maar mensen die nog in het proces zitten, mogen de komende 6 jaar nog adopteren, en er is ook nog best veel illegaal gegaan. Ik ben heel erg benieuwd naar die nieuwe generatie. Worden zij nog rebelser dan wij? Ik ben ook benieuwd naar ouders die, ook al is er nu zoveel bekend over de negatieve kanten, toch een kindje uit het buitenland willen.

Om dit stuk aan te kunnen ben ik in therapie gegaan. Om mezelf te helen én om sterk in mijn schoenen te staan. Er komt ongetwijfeld kritiek. Die mag me raken, maar niet infecteren. Ik moet weten waar ik sta.
Ik wilde graag dat m’n therapeut ook de kant van m’n ouders hoorde. Ik wilde naar iedereen kijken. Er echt aan werken. Want wat zou ik anders helen?’

Interview: Marijke Verduijn

Meer informatie over Nelgani’s toneelstuk Heldendaad vind je in onze agenda

Lees ook het interview met Xueli over haar adoptie

Andere interviews in de serie Een eigen weg