//= get_template_directory_uri() . '/vendors/fontawesome/fontawesome/fa-regular-400.woff2' ?> //= get_template_directory_uri() . '/vendors/fontawesome/fontawesome/fa-solid-900.woff2' ?> //= get_template_directory_uri() . '/vendors/fontawesome/fontawesome/fa-light-300.woff2' ?>
De vader van Jolie werd ziek toen ze 17 was en stierf toen ze net 18 was. Nu, anderhalf jaar na die rollercoaster, krijgt ze de rust om te gaan verwerken. En ziet ze hoe ze heel lang zelf niet doorhad wat ze nodig had. ‘Je bent niet alleen. Maar het heeft bij mij een tijd geduurd voordat ik dat besefte. Ik heb mensen echt weggezet. Dat neem ik mezelf niet kwalijk, ik doe dit ook voor de eerste keer.’
‘Pap was een hele actieve man, een klusser: hij had zelf de paardenstal gebouwd en voor mij een boomhut getimmerd. Hij hield van buiten zijn, op de tractor rijden. Een man van niet praten, maar doen. Heel nuchter.
Een week voor de diagnose waren we nog samen gaan klimmen in Engeland. Ik merkte niets. Ja, hij hijgde wat meer dan normaal. Ik was al op de top en pap stond maar te puffen. Maar hij deed het wel allemaal.
Het begon met een klein knobbeltje achter zijn oor, maar de vooruitzichten waren goed. De kuren leken eerst ook te werken, maar toen bleek het toch helemaal uitgezaaid en werden de behandelingen steeds zwaarder. Ik vierde mijn 18e verjaardag in het ziekenhuis in Maastricht, met een mondkapje op.
Pas toen mijn ouders vroegen wat de vooruitzichten waren, zei de hoofdbehandelaar: ‘Als ik u was geweest, zou ik al twee maanden geleden gestopt zijn met alle behandelingen om mijn leven zo goed als mogelijk uit te leven.’ Een paar dagen later is pappa vanuit het ziekenhuis naar een hospice gegaan. Ik reed met hem mee in de ambulance. Toen we het hospice binnen gingen, realiseerde ik me geen moment dat dit de plek was waar pap zou overlijden. Alles schreeuwt dat het niet zo kan zijn. Dat het zo niet hoort.
Toen pappa verlamd raakte, hielp ik hem het eten naar z’n mond brengen. Elke nacht sliep er ook iemand bij hem. Ik sliep ’s nachts bij pap en ging vanuit het hospice naar school. Ik vraag me nu af waarom ik gewoon naar school ging. Waarom nam ik de tijd niet? Dat neem ik mezelf ook kwalijk. Maar ik wilde graag mijn schooljaar halen. Alles valt al, dus ik wilde de school hoog houden. Ik denk dat ik er ook een beetje aan wilde ontsnappen. Ik dacht: hij gaat niet dood. Ik dacht er natuurlijk wel eens aan, maar ik wist pas echt dat hij dood zou gaan, toen hij al dood was.
Twee weken later kreeg pappa euthanasie. Ik stond die dag op en wist: om vijf uur is hij er niet meer. Ik wilde afscheid nemen, maar de laatste drie dagen wilde hij niet meer praten. Ik kon alleen z’n hand vasthouden. Hij had al afscheid van ons genomen voordat wij afscheid van hem konden nemen. Dat neem ik hem ook kwalijk. Want hij hoefde daarna niet meer, maar wij moeten door.
Het moet vreselijk voor hem zijn geweest. Hij was heel zelfstandig. Zijn leven bestond uit bewegen, dingen maken, in de tuin werken, en dan moeten opeens je dochter en je vrouw voor je zorgen en lig je in de bed naar buiten te kijken. Ik wilde met hem praten, maar wist niet wat ik wilde zeggen. Ik heb in die tijd heel veel geschreven in een soort dagboek. Dat heb ik hem voorgelezen en dat was wel heel fijn. Toen huilde hij. Ik vraag me zo af wat er in zijn hoofd zat. Dat is voor mij het meest pijnlijk. Je kan dat wel proberen in te vullen, maar dat is toch voor iedereen anders.
Na de euthanasie stond alles even stil. Ik hoorde de tijd wel tikken, maar ik stond stil. En daarna ben ik keihard gewoon doorgegaan. Ik pakte school weer op. Het was ook niet aan me te merken dat m’n vader net was overleden, ik was best opgewekt. Ik dacht ook: het leven is nu eenmaal zo. Mensen gaan dood; ook je vader. Dat heb ik dan nu al gehad. Maar dat hou je natuurlijk niet vol. Op een gegeven moment ging het niet meer. Al mijn creativiteit was weg en ik huilde soms in de klas – om niks.
Mijn mentor had al vaker gevraagd of ik wilde praten, maar toen wilde ik pas. Hij had z’n vader ook verloren toen hij jong was. Die herkenning was heel fijn. En hij dacht mee: wat wil je van school? Ja, weet ik veel. Hij legde lijntjes met de andere docenten. Ik wilde absoluut geen vertraging oplopen en zij hebben die stress zoveel mogelijk weggenomen door met me mee te denken. De ene docent zorgde ervoor dat ik alleen de dingen hoefde te doen waar ik op kon zakken en de rest niet. Een andere zei: ‘Dat ontwerp is niet belangrijk. Je hebt de rest van het jaar heel hard je best gedaan en we weten wat je kunt. En we begrijpen dat je het nu niet kan, dus dan hoef je het ook niet te doen.’ Dat begrip was zó fijn. Dat gaf zoveel opluchting.
Maar toen school weer goed ging, ging mijn hoofd moeilijk doen. Ik voelde me opgejaagd. Ik werd bang in het donker en zag schimmen of energieën. Ik had wel met een paar mensen gesproken, maar voor mij werkt het niet om op vrijdagmiddag om vier uur je verhaal te moeten doen: wat voel je? Dan gaat er bij mij niks gebeuren. Dus eigenlijk had ik niets verwerkt, want ik ging gewoon door en rende weg.
Toen ben ik door iemand getipt op Mijn masker af. En nu geef ik met een paar andere jongeren gastlessen aan jongeren die allemaal ook een verhaal hebben. Er zijn zoveel soorten verlies. Er zijn jongeren met een ziek broertje waar alle aandacht naar toe gaat. Er zijn jongeren die zijn gepest – dat is ook verlies, want dan verlies je jezelf.
Bij Mijn masker af doe je eerst zelf je verhaal en dan speel je een spel met vragen die zich steeds meer opbouwen. Wie kan er niet tegen z’n verlies? Wie is er wel eens verhuisd? Wie heeft er wel eens een huisdier verloren? Van wie zijn de ouders gescheiden? Als de jongeren hun hand opsteken, gooi je een bal naar iemand toe. Die mag zijn verhaal doen, maar de bal ook teruggooien. Je mag het delen, maar het hoeft niet.
Ik merkte dat dat mij hielp. Door die lessen kwam mijn verhaal steeds makkelijker m’n mond uit. En hun vragen maakten dat ik ging denken en mezelf opende. Sommige jongeren hebben al langer geleden iemand verloren. Daardoor realiseerde ik me: je moet ermee dealen. Het is een stukje dat aan je hart is toegevoegd. Niet een stukje dat is weggehaald, maar juist is toegevoegd.
De allergrootste steun kreeg ik van mijn inner circle. Ik weet niet hoe ik het had moeten doen zonder mijn vriend. Hij was mijn houvast en mijn veiligheid. Toen m’n vader ziek werd, waren Stan en ik drie maanden samen. Dus het was heel kort normaal en daarna werd het een rollercoaster. Ik wilde mijn verdriet niet altijd delen met m’n moeder, want zij was ook in de rouw. Maar Stan kon ik alles vertellen. Hij luisterde. Soms zei hij niks, soms stelde hij een vraag. Het heeft wel even geduurd voordat ik wist wat ik hem wilde vertellen. Dat was heel moeilijk voor hem, want hij zag mij struggelen. Toen heb ik een keer alles opgeschreven, terwijl hij met z’n armen om me heen zat, en heb ik hem dat laten lezen. Daardoor kon hij eindelijk begrijpen wat er bij mij speelde en wat ik voelde en waarom ik niet echt mezelf was. Dat begrip: dat je honderd procent zeker weet dat iemand anders weet wat jij voelt en denkt en ziet – dat is zó fijn.
Dat was net zo met mijn beste vriendin Sienna. We zijn al heel lang bevriend en ze ging heel vaak met ons op vakantie. Pap was ook heel belangrijk voor haar. Hij was echt onze spirit animal. We konden zo lachen met z’n drieën. Maar ik hield haar ook op een afstand. Ze vroeg altijd wel: ‘Hoe gaat het met je?’ Maar dat is zo’n vage vraag, want je weet niet hoe het met je gaat. Dus ik zei altijd: ‘Goed.’ En zij zag wel dat ik loog en een muur optrok, maar ze wilde daar ook niet doorheen gaan. Toen ik een paar maanden nadat pap dood was weer alleen maar zei dat het goed met me ging, werd ze zó boos. En ik werd zó boos op haar. En toen begonnen we allebei keihard te huilen en kon ik uiteindelijk open zijn. Toen kon ik haar ook vragen ‘Wie was hij voor jou en hoe is het voor jou?’ Zij zei: ‘Jouw vader was eigenlijk een tweede vader voor mij.’ Dat raakte me heel erg en daardoor brokkelde die muur ook wat verder af en konden we weer met elkaar in contact komen.
Ik was best alleen. Ik heb een halfzus en een halfbroer, die 15 en 12 jaar ouder zijn en een andere vader hebben. Ik kon wel met ze praten en zeker met m’n zus heb ik wel die zussenband, maar het was toch niet hun vader. En ook de mensen van school en m’n vrienden wilden er echt voor me zijn, maar ik hield mezelf heel ver weg.
Mensen weten ook niet wat ze moeten doen als iemand in hun omgeving dit doormaakt. ‘Hoe gaat het?’ is geen goede vraag. Je weet gewoon niet hoe het met je gaat. Het heeft zoveel meer betekenis om er te zijn. Even bellen, even appen, even je dag delen, zodat je ook meekrijgt wat er om je heen gebeurt, want de wereld bestond gewoon niet meer voor me.
Ik ben ook heel blij met m’n vriendengroep van klimmen. Zij kenden m’n vader niet persoonlijk, maar na zijn dood appte één van hen: mag ik op de crematie komen? Ik vond dat eigenlijk een beetje vreemd. Ze kende hem niet, waarom zou ze op de crematie komen? Maar Nina en Jitze waren er. Ik heb ze nauwelijks gesproken die dag, maar dat ze het hebben meegemaakt en dat ze er voor mij waren zonder dat ik door had dat ik dat heel erg nodig had, dat vond ik zó fijn.
Daarna belde de vriendengroep soms: ‘Ben je thuis?’ ‘Ja, hoezo?’ Tuuttuuttuut. Dan hadden ze alweer opgelegd, maar stonden ze tien minuten later voor de deur: ‘We komen een kopje thee bij je drinken.’ Dat zijn van die kleine dingen die mensen kunnen doen. Als je vader net is overleden, wordt je leven zó klein. Je hebt geen zin om ergens heen te gaan, je wil het liefst thuis zijn. Maar je wil ook niet alleen thuis zijn, want je vader is er al niet meer. En je wil jezelf ook niet opdringen, want je denkt dat je geen leuk gezelschap bent. Dan is het zo belangrijk dat iemand naar jou komt en je leegte opvult met zoiets simpels als samen een kopje thee drinken.
Ik was 17 toen ik hoorde dat pap ziek was en net 18 toen hij overleed. Je bent wel volwassen, maar ook totaal niet. Je wordt zomaar losgelaten en je moet je eigen weg gaan, maar ik ben heel blij met de mensen om me heen en wat ze hebben gedaan. Ik had gewild dat er nog meer kleine leuke dingen waren geweest om me af te leiden. Als ik het opnieuw zou moeten doen – dat zou ik natuurlijk niet willen – dan zou ik tegen de mensen om me heen zeggen: dram gewoon door, ook als ik heel bitcherig overkom. Geef me de ruimte, maar geef me de ruimte niet in m’n eentje, maar kom met mij in de ruimte staan. Je hoeft helemaal niks te zeggen, maar er alleen te zijn.
Terugkijkend ben ik ook boos. Ik denk dat de artsen ons eerder hadden moeten zeggen dat de kans dat hij beter zou worden zó klein was. En ook eerder dat hij écht dood ging. Dan had ik de tijd kunnen pakken die er nog was. Dan had ik het in het hospice ook anders gedaan.
Pap was het eerste verlies van zo dichtbij en ik kende ook niemand die zoiets had meegemaakt. Ik wist dus niet wat ik kon verwachten. Ik had daar meer begeleiding in gewild. Dat wil ik mensen graag meegeven: zorg ervoor dat mensen die een verlies tegemoet gaan zich daar echt van bewust zijn. Die voorbereiding heb ik gemist.
Toen ik meer open ging, ben ik gaan schrijven: dagboeken vol. Ik heb gemerkt dat het voor mij niet werkt om te praten met mensen die er verstand van hebben. Ik moet het uit mezelf halen en ik wilde eerlijk zijn naar mezelf. Als ik schrijf, is er een direct lijntje vanuit mijn hoofd naar de letters. Daardoor begreep ik waarom ik deed hoe ik deed en hoe ik mezelf terug kon gaan vinden. Mijn brein is in overlevingsstand gegaan, maar ik merk dat ik me nu de rust gun om het te gaan verwerken. Ik heb al wel deeltjes verwerkt, maar het grote geheel nog niet. Ik wil ook heel graag van m’n angst afkomen. Ik zie dat m’n moeder er heel hard aan werkt om alles wat ze in haar leven heeft meegemaakt te verwerken. Dat vind ik zo’n goed voorbeeld. Zij helpt me heel erg om te beseffen dat ik er tijd voor mag nemen.
Mensen zeggen: ‘Je bent altijd vrolijk.’ En dat ben ik nog steeds, maar het is niet meer alleen maar vrolijk. Ik ben ook een meer denkende Jolie geworden.
En nu ik mezelf begrijp, kan ik het ook uitbeelden. Ik zit in het laatste jaar van de opleiding Creatief vakman textiel. Voor mijn proefexamen koos ik het thema rouw. Ook omdat school zo’n goede rol voor me heeft gespeeld en ik kan laten zien waar ik nu ben.
Ik wil een soort koepel maken waar je je hoofd in kan steken. Als je in de rouw zit, is je brein wazig. Je kan dingen niet onthouden, er zit geen regelmaat in, je emoties gaan alle kanten op, alles gaat open, maar alles gaat ook dicht. Het is een soort doolhof. Ik wil graag dat mensen die dat niet in zichzelf kunnen voelen, het in die koepel kunnen zien.
Het wordt een koepel met zwarte vlakken, want rouw kan heel dof zijn. Met zwarte kralen – als tranen, waarvan het water ook reflecteert. Scherpe kralen, want rouw kan ook heel scherp zijn.
Maar er komt ook wol in, want mensen gaan heel zacht met je om als je in de rouw bent en dat is heel mooi. In wol kan je verdwijnen, maar je kan er ook weer uitkomen. En als je wol vilt, kun je het omzetten in iets anders moois. Daar moet je voor kneden en dat heeft tijd nodig.
Maar er komt ook zeker veel kleur in, want door rouw ga je ook dingen waarderen die je niet waardeerde op een ander punt in je leven. Leven heeft voor mij een andere betekenis gekregen: ik neem het niet meer voor lief.Ik kan genieten van heel kleine dingen: buschauffeurs die hun hand opsteken als ze elkaar passeren. Mensen die vriendelijk zijn. Oogcontact met iemand die je niet kent. Ik heb de dingen om me heen zo lang niet gezien. Ik vind het zo fijn dat ik dingen weer zie.’
Interview: Marijke Verduijn
Misschien ben je ook geïnteresseerd in:
‘Onderken je eigen ongemak’
‘We hebben samen dat ene meegemaakt’
‘Het is gewoon ongeluk’
‘Een niet-perfecte vraag is beter dan geen vraag’
‘Bij rouw vaart iedereen z’n eigen bootje’
‘Een dekentje, samen iets betekenisvols doen en praten op allerlei momenten’
.