“Waar hoor ik thuis?” Onderzoek naar het thuisgevoel van kinderen van gescheiden ouders

“Waar hoor ik thuis?” Onderzoek naar het thuisgevoel van kinderen van gescheiden ouders

‘Thuis is een stukje familie waar je vanzelfsprekend bij hoort. Dat kunnen je ouders zijn, maar ook grootouders, of anderen. Mensen aan wie je je hecht. Kinderen weten al van heel jongs af aan bij wie ze horen en dat is belangrijk, want relaties bepalen voor een deel je identiteit. Als een ouder opeens besluit dat dat voortaan anders gaat, doet dat ook iets met dat gevoel van “thuis.”

Dat kan voor kinderen heel ingrijpend zijn. Ook omdat het allerlei gevolgen kan hebben, waar zij niet om gevraagd hebben. Bijvoorbeeld dat je naar een andere school moet, of zelfs een andere woonplaats. Dan moeten ze nieuwe vriendjes maken. Of een andere hobby oppakken. Al die veranderingen hebben ook invloed op het “thuisgevoel” binnen het gezin, de vriendengroep, de school en buurt. Als je in twee huizen woont, is het soms lastiger om betrokken te zijn bij de buurt of mee te doen aan activiteiten. Dat kan iets betekenen voor je gevoel van erbij horen.
Het is makkelijker om je leven vorm te geven vanuit één huis dan vanuit twee aparte huizen.

Ja, als ze er in beide huizen bij mogen horen en hun omgeving positief met hen omgaat, kan dat. Dat zegt dan ook iets over de relatie met de andere ouder. Ouders gaan vaak niet als vrienden uit elkaar. Het is belangrijk dat ze dat niet uitstralen. Maar hier zit wel een valkuil. Je hebt al conflicten, er zijn al bepaalde irritaties waardoor je uit elkaar bent gegaan en soms komt er een nieuwe partner die daar ook iets van vindt. Het is de kunst je kinderen daar niet mee te belasten, zodat zij met al deze mensen hun eigen relaties kunnen vormgeven.

Als je moeder heel negatief over je vader praat, of zelfs over de hele familie van de vader, is dat heel moeilijk. Dan zegt ze iets over iemand van wie jij houdt en die dus kennelijk niet deugt. En het zegt ook iets over familie-eigenschappen die je misschien wel met die andere ouder deelt. En dan kan het heel ingewikkeld zijn voor een kind om relaties binnen zo’n familie te onderhouden.

Ja. Mijn ouders zijn gescheiden en als kind kon ik me een buitenstaander voelen als mijn ouders negatief over elkaar praatten. Dan voelde ik me altijd een soort bedrieger of indringer als ik bij de ene familie was. Alsof ik dat beeld van mijn ouder deelde. En bij de andere familie voelde ik me altijd een beetje minderwaardig, want ik had ook eigenschappen die volgens mijn ouder bij “die vervelende kant” hoorde.
Je moet je in beide families welkom voelen. Maar dat geldt eigenlijk voor alle groepen: als je partner of familie heel negatief over je vrienden praten, doet dat ook iets met je. Ook al kan je met beide groepen goed omgaan.

Ja, zeker. Zolang er geen kritiek of afwijzing is van het andere huis en als er ruimte om je eigen relaties te ontwikkelen, kan dat heel goed.

Dat kan het lastiger maken. Als je moeder met haar nieuwe partner een nieuw kind krijgt, is dat er altijd, maar jij bent er niet altijd, want jij gaat ook naar je vader.
Heel vaak weten ouders wel dat het lastig is, maar vinden ze het moeilijk om dat te benoemen. Toch is het belangrijk dat wel te doen. Dat hoeft niet meteen heel uitgebreid, maar meer iets in de trant van: “Goh, dat lijkt me best lastig, dat jij hier niet altijd bent en broertje x wel.” Dat kan al helpen.

Het is belangrijk kinderen de ruimte te geven om hun eigen relatie aan te gaan met al die nieuwe gezinsleden. Het is natuurlijk hartstikke leuk als ze goede vrienden worden, maar dat hoeft niet. Je kan liefde niet afdwingen.
Dat geldt ook voor stiefouders. Je mag wel normale omgangsvormen verwachten. Als er spullen in huis slingeren, mag je daar als stiefouder best iets van zeggen. Soms zegt een kind dan: “Jij bent mijn vader niet.” “Nee, ik ben je vader niet, maar er zijn wel bepaalde dingen in huis waar ik iets over te zeggen heb. En over andere dingen weer niet.” Het helpt als je dat benoemt vóór het hoog oploopt. Of daarna, als het weer rustig is. “Hé, natuurlijk ben ik jouw vader niet. En die plek wil ik ook helemaal niet innemen.” Vaak vinden ouders daar wel een weg in. Als het kind moeite heeft met de stiefouder, kan de eigen ouder iets oppakken.

 De manier waarop ouders omgaan met de scheiding is van groter belang dan de leeftijd van het kind. In de tienertijd worden vrienden wel steeds belangrijker en dan kan het lastiger zijn om een omgangsregeling vorm te geven. Bijvoorbeeld als kinderen in het weekend bij één ouder zijn en dan dingen willen doen met hun vrienden in de andere buurt. Dat kan ingewikkeld zijn.

Kinderen zijn vaak bang om hun ouders pijn te doen. Je ziet die ouder maar twee dagen en eigenlijk wil je die zaterdag met je vriendinnen naar de stad. Ik denk dat het helpt als ouders flexibel zijn en proberen te kijken wat er wél kan. Is er een feestje in het weekend als het kind bij de andere ouder is? Denk met ze mee en neem ze serieus. Dus: kijk wat er kan. En speel het zeker niet uit tegen elkaar: “Ze kan niet komen, want ze is dan bij mij.” 

Ja, dat is een groot ding. Sowieso moeten kinderen steeds bedenken:  wat heb ik nodig in dat andere huis?
En als je het vergeten bent: hoe kom je er weer aan? We horen wel dat het soms een ding kan worden. Dan worden die spullen uitgespeeld tussen ouders. “Mijn kind mag apparaat x wel of niet bij zich hebben.” Dat maakt het nog ingewikkelder. De kinderen hebben niet voor deze situatie gekozen en spullen zijn stukjes die bij het kind horen. De fiets hoort bij het kind, maar de ouders maken er ruzie over.

Dat hangt af van de situatie. Idealiter kunnen kinderen in beide huizen met hun eigen spulletjes een nieuw thuis opbouwen. Maar er zijn ook situaties waarin het ene huis meer “eigen” is dan het andere.

Ja, dat kom je wel tegen, en soms worden huizen daar ook op gebouwd. Dat kan goed werken. Zeker in het begin. Maar dan moet je wel goed met elkaar kunnen opschieten en het wordt wel vaak ingewikkelder als er nieuwe partners komen.

Dat is heel belangrijk. Vooral bij de ouder waar ze minder zijn. Soms vinden ouders dat niet goed: je mag de ander niet bellen als je bij mij bent. Dat zou ik zeer afraden. Kinderen hebben hun eigen relaties.
Het kan ingewikkeld zijn als ze dat uitspelen. Ik snap dat het lastig is als  een kind na een ruzie naar boven stampt om de andere ouder te bellen over hoe vreselijk jij bent. Maar als jij ruzie hebt met een vriendin, moet je dat ook kunnen delen met een andere vriendin.

Daar hebben we niet nadrukkelijk naar gekeken, maar daarvoor geldt hetzelfde: kinderen moeten de ruimte krijgen om die relatie goed vorm te geven.

Nou, misschien dat, terwijl het in veel gezinnen heel goed gaat, het toch lastig blijkt om te praten over dit soort gevoelige onderwerpen. Mensen worstelen daarmee. Het blijkt moeilijk om dit soort gevoelige onderwerpen te benoemen. Daardoor zwijgen ze er vaak maar over, maar daarmee maak je het alleen maar groter.

Ja, het gaat niet om één groot gesprek, maar vaak om meerdere kleine gesprekjes. Het is voldoende om iets tijdens het eten of voor het slapen gaan even te benoemen. Niet op jouw moment, maar op een vertrouwelijk moment. Dus niet als het al hoog is opgelopen. “Hoe is dit voor jou?”

Interview: Marijke Verduijn

Susan Branje is hoogleraar Pedagogische Wetenschappen aan de Universiteit Utrecht. De Universiteit Utrecht voerde het onderzoek “Waar hoor ik thuis?” uit in samenwerking met de gemeente Utrecht, Villa Pinedo, Youké Sterke jeugd en het Expertisecentrum Kind en Scheiding.   [SB1] 
De UU is nu bezig met het vervolgproject
Luister.