//= get_template_directory_uri() . '/vendors/fontawesome/fontawesome/fa-regular-400.woff2' ?> //= get_template_directory_uri() . '/vendors/fontawesome/fontawesome/fa-solid-900.woff2' ?> //= get_template_directory_uri() . '/vendors/fontawesome/fontawesome/fa-light-300.woff2' ?>
Ruim 60 procent van de Nederlandse jongeren ervaart regelmatig of zelfs vaak prestatiedruk. Nienke Leone (26) is songwriter en zangeres én het gezicht van de campagne Gun me prestatierust van de Nationale Jeugdraad. Zolang ze zich herinnert, voelt ook zij druk om te presteren. ‘Ik denk dat heel veel kinderen op zoek zijn naar iets waar ze goed in zijn en daar hun zelfvertrouwen op baseren.’ Het goede nieuws: je kúnt leren beter voor jezelf te zorgen.
‘Als ik terugkijk, was die prestatiedruk er altijd al. Ik kon al lezen en schrijven toen ik op school kwam. In groep 1 wilde ik de mooiste werkjes vouwen. Op de middelbare school wilde ik summa cum laude slagen. Ik wás ook vaak de beste en wilde altijd laten zien dat dat terecht was. Ik vond dat heel belangrijk en het is verslavend.
Ik was niet overal goed in. Ik kon bijvoorbeeld echt niet tennissen, maar dat kon me niet schelen. Ik haalde mijn eigenwaarde uit goed zijn in leren en studeren. Die bewijsdrang zit in het beestje. Mijn ouders vonden het niet zo belangrijk. Zij boden me wel aan waar ik aan toe was, maar pushten me niet.
Na de middelbare school sprak ik met m’n ouders af dat ik m’n studie wiskunde minder fanatiek zou doen. “Een 6 is goed”, zeiden ze. Dat hadden we misschien eerder moeten afspreken. En dat lukte ook aardig. Het was een pittige studie, dus ik had voor een 8 wel echt hard moeten werken en zo leuk vond ik het ook weer niet.
Als ik terugkijk, denk ik dat ik een paar keer dicht bij een burn-out ben geweest. De eerste keer was toen ik tijdens m’n eerste jaar wiskunde een album opnam met m’n band. Ik woonde in Schiedam, liep overdag college in Leiden en ging ’s dan avonds nog de studio in. Dat was heel heftig: ik hield in twee werelden twee ballen hoog. Soms viel ik tijdens het schrijven wel drie keer in slaap, maar iedereen om je heen is heel moe. Dat is student-zijn.
Ik heb pas later gezien dat ik toen helemaal opgebrand was.
De tweede keer dat ik de mist in ging, was toen ik op het conservatorium zat. Ik speelde van jongs af aan al fanatiek klassiek piano en begon zo rond m’n elfde liedjes te maken. Daar lag m’n passie, maar ik dacht dat ik daar niet m’n vak van kon maken, want ik had poliepen op m’n stem.
Ik wist ook niet dat songteksten schrijven een beroep was, tot mijn gitaarleraar in m’n eerste jaar wiskunde zei: “Jij hebt elke week een nieuwe liedje. Waarom ga je niet songwriting studeren?” Toen viel het kwartje.
Ik studeerde keihard om binnen te komen. De eerste keer werd ik afgewezen, maar in het derde jaar van wiskunde werd ik wel aangenomen. Op het conservatorium maakte ik alsnog mijn studie wiskunde af. Dat vond ik heel belangrijk, want ik wilde alles goed doen.
Eigenlijk was het conservatorium heel fijn en best rustig, maar in het derde jaar kocht ik samen met m’n vriend een woonscheepje. Daar trokken we al in terwijl het nog niet af was. We hadden nog niet eens een lekkere plek om te slapen. Dus het was overdag studeren en ’s avonds verbouwen of de studio in. Ik zei tegen alles ja en was daar trots op. En ik accepteerde niet dat het niet allemaal kon.
De derde keer dat het mis ging, was bij m’n afstuderen. Ik wilde de perfecte afstudeershow geven. Fotoshoots, teksten, social media: het moest niet alleen goed, het moest indrukwekkend.
En vanaf het moment dat ik m’n eerste single uitbracht, hield het nooit meer op.
Ik schreef al een tijdje songteksten voor grote artiesten als Miss Montreal en Yves Berendse. Dus ik wist dat wat ik maakte goed was, maar ik wilde ook zelf zingen. Inmiddels was ik aan mijn stemknobbels geopereerd, dus daar lag nu echt een toekomst.
En het ging ook goed, maar ik wilde het gelijk perfect doen, zeker omdat ik dit heel belangrijk vond. M’n middelbare school en de studie wiskunde had ik nog wel met een korreltje zout kunnen nemen, maar dit was voor het echie. En wat je voor jezelf doet, kun je niet meten. Niemand zegt: nu is het goed genoeg. Er zijn altijd mensen die verder zijn. Het is nooit genoeg. Nu weet ik – dankzij de psycholoog – dat ik beter voor mezelf moet zorgen en moet proberen te voelen dat het goed genoeg is.
Zij leerde me ook dat mijn perfectionisme voorkwam uit angst. Niet eens een heel concrete angst, meer een soort chronische staat van stress: misschien moet je hier toch nog even naar kijken. Ik noem dat de angsthaas en die wil ik niet meer zijn.
Het wordt gezien als iets stoers als je ’s avonds nog aan het werk bent. Ik probeer het nu te zien als angst of als lafheid. Als de werkdag klaar is, heb je je best gedaan. Dan moet je opladen. De volgende dag is er weer een dag om je best te doen.
Mijn moeder vertelde laatst dat ik als kind weigerde na het eten nog te werken. Dan zei ze: “Moet je niet nog wat doen voor je toets van morgen?” En dan zei ik: “Nee, het is na het eten.” Maar als iets voor mij belangrijk is, kan ik dat niet. En muziek is voor mij het belangrijkste in de wereld.
Ik heb echt moeten leren luisteren naar de signalen van m’n lichaam. En moeten ervaren hoe ontspanning eruit ziet.
Eerst word ik kribbiger. Ik heb al niet zoveel geduld, maar als ik teveel van mezelf heb gevraagd, ben ik superchagrijnig. Dan is het helemaal op als ik thuis kom.
Dan schakel ik m’n gevoel uit en word ik een beetje apathisch. Het ingewikkelde is dat ik altijd wel heel vrolijk ben als ik muziek maak. Maar ik merk dat ik de verdrietige emoties niet meer voel. Als ik merk dat ik niet meer verdrietig word, is het al te ver.
Ik schrijf elke dag na het douchen een quote op de beslagen spiegel. Bijvoorbeeld:
‘Goed is goed genoeg’. Dat vind ik nog steeds moeilijk, maar het is misschien wel de belangrijkste.
Of ik schrijf: ‘Gun jezelf tijd om te groeien’. Dat vind ik ook nog steeds heel moeilijk, maar deze gedachte kan me echt helpen. Als ik iets voor het eerst doe, heb ik altijd heel veel stress, want ik wil het meteen perfect doen. Ik denk nu: gun het jezelf om ervan te leren. Dat helpt me al heel erg.
De derde quote is: ‘Me op 1, muziek op 2’. Dat zei een vriend een keer tegen me en dat is heel raak. Als ik ’s avonds op de bank zit of een vrije dag neem, dan doe ik dat voor Nienke. Dat vind ik nog steeds heel moeilijk.
Ja, er wordt teveel gevraagd naar prestaties. Teveel naar wat je kan meten en te weinig naar hoe het met je gaat. Daar hebben we het veel over gehad bij de campagne.
Ik heb het zelf ook gemerkt. Toen ik de muziek inging, moedigden mijn ouders me alleen maar aan, op een positieve manier. Maar de rest van de familie vond het best spannend. Dat komt natuurlijk voort uit goede bedoelingen en oprechte zorgen. Maar het is belangrijk dat er niet alleen wordt gevraagd: “Lukt het al een beetje?” Maar ook: “Vind je het fijn?”
Ze hadden me meer kunnen temperen. Op school is het typische probleemkind toch het kind dat niet gemotiveerd is. Maar het is net zo problematisch om teveel gemotiveerd te zijn. Dat kan escaleren, want je wordt beloond voor de verkeerde dingen. Docenten moeten ook herkennen wanneer mensen té fanatiek zijn. En misschien hun eigen vak niet zo belangrijk vinden. Iemand had een keer moeten zeggen: “Doe eens normaal, haal eens een onvoldoende.”
Mijn ouders benadrukten dat goed genoeg ook goed was. Maar vanuit alle andere hoeken werd ik toch vooral aangemoedigd om alles te geven.
Dat is precies wat het is. Wat ik heb bereikt komt natuurlijk ook door m’n ambitie, maar je moet dat stemmetje wel kunnen stoppen. Ik sta te weinig stil bij wat ik wél heb bereikt en ben vaak vooral bezig met wat ik beter had kunnen zeggen en die ene noot die niet goed was. Dat komt ook door het vakgebied. Alles is pieken en alles is dalen.
Als ik naar een grote show of live radio toeleef, krijg ik een knoop in m’n maag en niks door m’n keel. Ik wil over-voorbereid zijn op alle scenario’s. Dus ik ben eindeloos aan het oefenen. En dat is ook goed. Het mag er allemaal zijn, maar ik moet het ook weer uit kunnen zetten. Dat gaat nog niet perfect, maar het laatste half jaar lukt het me aanzienlijk beter. Er is echt meer balans.
Wat ook helpt, is de wetenschap dat ik ADHD heb. Door de ADHD-medicatie ben ik veel minder angstig. En de ADHD maakt ook dat ik meer aan de slag ga met wat onder mijn gedrag ligt en wat de bron daarvan is. Ik wil echt leren internaliseren dat wat ik doe goed genoeg is. Anders steekt die prestatiedruk altijd weer de kop op. Dan weet ik nu al dat ik, als ik ooit kinderen krijg, de beste moeder wil zijn.
Toen ik werd gevraagd voor de campagne, dacht ik: dit moet ik doen, want het speelt heel erg in mijn leven. Maar het kan er vast ook anders uitzien en ik wil wel de juiste dingen benoemen. Wat hebben andere jongeren nodig om te horen? Toen ben ik met andere jongeren gaan praten. Dat leverde heel veel herkenbare verhalen op, maar ook nieuwe inzichten.
Want voor mij gaat prestatiedruk over werk en bij anderen bijvoorbeeld over sporten. Maar er waren ook jongeren die per se VWO wilden doen, omdat ze zich anders niet goed genoeg voelden. En één meisje zei dat ze het ook voelde als ze met vrienden was. En dat ze veel druk voelde om een goede dochter voor haar ouders te zijn. Dus bij hen ging het heel erg over wie ze zijn. Daar ben ik best van geschrokken.’
Interview: Marijke Verduijn
Foto: Ruby Dijt
Lees hier meer over Nienke Leone en haar liedjes. Het onderzoek naar prestatiedruk onder jongeren is gehouden door State of Youth NL, een samenwerkingsverband tussen KidsRights, de Nationale Jeugdraad, Maatschappelijke Diensttijd en Augeo Foundation. Het onderzoeksrapport, dat ook tips en tools bevat voor jongeren, school en anderen die privé of professioneel met jongeren te maken hebben, is te downloaden bij KidsRights.