‘Er was een vrouw die de moed had mijn zusje en mij in huis te nemen’

‘Er was een vrouw die de moed had mijn zusje en mij in huis te nemen’

Het is een woensdagmiddag na schooltijd, maar groep 8 van basisschool De Rivieren in Amsterdam-Zuid is nog niet naar huis. In het gymlokaal vertellen ze elkaar en de aanwezige ouders verhalen van ouderen uit hun buurt.
Ze hebben die ouderen in groepjes van drie of vier thuis opgezocht en geïnterviewd. De interviews kunnen gaan over migratie, de Tweede Wereldoorlog of het koloniale verleden. Deze keer gaan alle verhalen over de Tweede Wereldoorlog. De kinderen vertellen ze in de ik-vorm. ‘Alsof ze het zelf hebben meegemaakt’, zegt Loes van Weezel.

‘Het was op mijn verjaardag, 29 mei. Mijn moeder wilde net taartjes gaan halen in de Rijnstraat.’
‘Als ik naar m’n opa en oma wilde, moest ik lopen, want ik mocht niet in de tram. Dat was een pokkeneind.’
‘Ik kreeg een nieuwe naam: Henkie Mulder. Die paste helemaal niet bij me.’
‘Ik was 3 jaar. Mijn pleegouders dwongen me pap met vellen te eten. Daar moest ik van overgeven. Ze noemden me ondankbaar en sloegen me.’
‘Ik kon nooit met andere kinderen spelen. Alleen met de kinderen uit m’n onderduikgezin.’
‘Ik heb de eerste struikelsteen laten leggen in Amsterdam. Mijn ouders zijn letterlijk in rook opgegaan, dus ik had geen plek om naar toe te gaan. Als je zo’n struikelsteen oppoetst, gaat hij prachtig glimmen. Net alsof je bloemen neerlegt bij een graf.’
‘Na de oorlog kwam iemand naar me toe: “Jij bent Simon, ik heb je ouders goed gekend.” Dat was goed bedoeld, maar ik had er niks aan. Het was vooral heel pijnlijk.’
‘Ik heb nog steeds contact met de kleinkinderen van m’n pleegvader.’


Ook het verhaal van Loes klinkt vanmiddag. ‘Een – inmiddels overleden – vriendin heeft me “erin geluisd”. Ik dacht eerst: ik heb niks te vertellen. Maar later dacht ik: ik heb wél wat te vertellen. Er wordt altijd gezegd dat alle Nederlanders de andere kant opkeken. Maar er was een vrouw die de moed had mijn zusje en mij in huis te nemen. Dat is toch een bijzonder verhaal?’

De kinderen worden grondig voorbereid. Na een gastles waarin Myriam Mater (94) haar verhaal vertelt, krijgen ze een geschiedenisles en een begeleide wandeling door de buurt waar het allemaal is gebeurd. Dan volgen een interview-les (hoe bereid je dat voor, het belang van open vragen, ouderen aanspreken met “u”) en een ‘goed-fout’-les met allerlei dilemma’s’ (stel: je bent in de winkel en één van je vrienden laat iets vallen. De winkelier wordt heel boos. Wat zou jij doen?) En dan volgt het eigenlijke interview.

Loes stelt zelf ook altijd vragen. ‘Ik vraag altijd als eerste waar hun ouders vandaan komen. Het zijn soms kinderen van wie de ouders gevlucht zijn.’

Als het interview bij Loes thuis is, wijst ze op de foto’s aan de muur. Die zijn van vlak vóór de onderduik: Loes is anderhalf, haar zusje twee jaar ouder. ‘Ik weet er niets meer van. Maar ik heb zelf twee dochters en toen zij die leeftijd hadden …  Ik moet er nog steeds niet aan denken dat ik ze weg had moeten doen.

Ik vertel de kinderen altijd: op een gegeven moment mochten Joden niet meer op bankjes in het park zitten en niet meer met de tram. En voor hun boodschappen moesten ze op bepaalde tijden naar de Joodse markt, want ze mochten niet meer in gewone winkels komen. Dat maakt altijd veel indruk.

Mijn vader en moeder leefden zo goed en kwaad als dat ging door. Maar op een dag werd mijn moeder op straat aangesproken door een buurvrouw. “Mevrouw, als ik u kan helpen met de kinderen?” Mieke woonde vlak om de hoek en was tot haar spijt zelf kinderloos. Vanuit haar raam zag ze op het balkon van mijn ouders altijd de brandschone was hangen: luiers en zelfgebreide kinderkleertjes.

Toen de dreiging steeds groter werd, maakten mijn ouders de loodzware keuze om mijn zusje bij Mieke onder te brengen. Zij doken zelf onder in de buurt van Arnhem en ik ging naar weer een ander adres in hun buurt. Daar huilde ik dag en nacht. Dat was zo gevaarlijk dat mijn ouders via het verzet lieten informeren of ik ook bij Mieke mocht onderduiken. Dat mocht en daar kwam ik tot rust.

Miekes man was erop tegen, want het was levensgevaarlijk, maar zij zette door. Ik vraag de kinderen altijd: “Zou jij iemand bij jou laten onderduiken? Er stonden zware straffen op.” Eén kind zei: “Als ik een goede schuilplaats had wel.” En een ander: “Nou, als het iemand was die naast me woonde, zou ik het wel doen. Maar als ze twee straten verder woonden niet.”

Na een tijdje verhuisden mamma Mieke en haar man naar een andere straat in de buurt: daar wisten de buren niet dat ze eerst geen kinderen hadden. Bovendien woonde haar vader daar vlakbij. Hij zat de hele dag naar buiten te kijken en als er een razzia aankwam, waarschuwde hij zijn dochter. Die gaf mijn zusje en mij dan over het balkon aan een buurman, die dominee was.
Die dominee leerde ons een versje:
‘Ik ga slapen, ik ben moe.
Ik sluit mijn beide oogjes toe.
Here, houd ook deze nacht
weder over mij de wacht.’
Later ben ik daar nog eens geweest en zag ik die afstand tussen die balkons. En ik zag ook hoeveel huizen met balkons er omheen stonden. Het is een wonder dat niemand ons heeft verraden.

Interview: Marijke Verduijn
Foto’s: Annelies Kruk