Risicovol spelen is belangrijk voor kinderen. Maar ouders vinden risico’s vaak eng. ‘Af en toe moet een kind iets breken’ 

Risicovol spelen is belangrijk voor kinderen. Maar ouders vinden risico’s vaak eng. ‘Af en toe moet een kind iets breken’ 

Martin van Rooijen geeft graag een interview, maar liever niet ter gelegenheid van Nationale Buitenspeeldag. ‘Het is elke dag buitenspeeldag. En dat meen ik serieus.’ Zijn aandacht voor risicovol spelen komt voort uit zijn werk als speeltuinwerker en op de naschoolse opvang. ‘Daar zag ik hoe kinderen spelen en wat ze nodig hebben.’  

Toen hij vijftien jaar geleden weer ging studeren, kwam het onderwerp Risky play naar boven. Internationaal was daar al heel wat onderzoek naar gedaan, maar in Nederland nog niet zo. Hij verwerkte het in zijn masterscriptie en een promotieonderzoek. En sindsdien geeft hij workshops en trainingen en begeleidt hij rommelspeeltuinen.

De vrijheid en autonomie om zelf te kunnen bepalen wat ze spelen, hoe ze spelen en met wie ze spelen. En risico en uitdaging: wat is mijn volgende stap om het een beetje spannend te maken?

Mijn antwoord is altijd: omdat dat belangrijk is. Ik heb het nooit over het belang voor de ontwikkeling. Het gaat mij om de intrinsieke waarde van spelen: we moeten er geen doel aan koppelen. Spelen is belangrijk omdat kinderen dat doen. Risicovol spelen – doen, kunnen en durven – zit in kinderen. Maar de mogelijkheden daartoe zijn steeds minder geworden.

Dat heeft verschillende oorzaken. Ouders zijn zuiniger op hun kind dan vroeger. Vroeger waren het er te veel om er de hele tijd op te letten en waren ouders veel te druk met werk en huishouden. Ouders steken nu meer tijd in hun kinderen en zitten er te dicht bovenop. Dat leidt tot de overbeschermingsparadox: hoe meer we kinderen beschermen, hoe groter de kans dat het fout gaat. Dan kunnen ze niet zelf ervaren hoe ze iets kunnen oplossen en gaat het júist een keertje fout als jij er niet bij bent.

Het heeft ook te maken met de risicosamenleving: dat heeft in alle dingen toegeslagen. We willen alles zo veilig mogelijk. Als er iets gebeurt, zoeken we een schuldige, of een verantwoordelijke of aansprakelijke. Daardoor zijn ook professionals overbeschermend geworden. Dat is een soort kramp. Je kunt niet alles voorkomen, een schram of een bult hoort erbij. Af en toe moet een kind iets breken.

Verder is het buiten saai geworden. Er zijn geen rommelveldjes meer. En als kinderen eens wat uithalen, wordt direct de politie gebeld, in plaats van dat er een beetje om gelachen wordt door volwassenen.

En tenslotte zijn er meer interessante alternatieven, zoals gamen of de telefoon. Dus het is aan ons om kinderen andere uitdagingen te bieden. Het buiten interessanter te maken en ze de vrijheid te geven om  buiten op avontuur te gaan.

Maar er zijn meer belangen. Risicovol mogen spelen levert kinderen ook heel veel op. Kinderen versterken er hun zelfvertrouwen, veerkracht en weerbaarheid door. Dat is geen doel. Risicovol spelen is niet belangrijk omdat kinderen dan weerbaar worden. Het hoeft niet iets op te leveren. Ik hou helemaal niet van termen als “spelend leren” of “lerend spelen”. Het plezier staat voorop. En in dat plezier zit ook het op zoek gaan naar risico’s en uitdaging.

Hen wat meer loslaten, toestemming geven om hun eigen gang te gaan, vies te worden, erop uit te gaan. Gun ze dat ze zelf op straat spelen, in de buurt. Gun ze zelf naar school te fietsen. Doe een paar stappen naar achteren. Wees onzichtbaar en niet beschikbaar. Als een kind jou roept en iets vraagt, dan ben je te dichtbij.

Rommelspeeltuinen zijn verboden voor ouders. Dat is belangrijk: kinderen moeten hun eigen ding kunnen doen. Ze spelen anders als ouders er niet bij zijn.
Je mag soms wel meespelen, maar laat ze ook en vooral zelf spelen. Vaak ben je niet nodig en dan moet je wegwezen. Dan gaan ze het risico en de uitdaging opzoeken waar ze aan toe zijn.

En je volgende taak is: zorgen dat er wat te doen is. We moeten zorgen voor speelspullen: loose parts noem ik dat. Een laddertje, kabelrol, stammetjes, een oud matras, dat soort dingen. In de rommelspeeltuin in Utrecht staat ook een oude caravan. Hoe gaaf is dat? We hebben er een zeilbootje neergezet en een steiger. We proberen daar de speelomgeving te creëren zoals je zou willen dat die er is in de openbare ruimte.
Zie de mogelijkheden. Als ik een bordje zag met “Verboden op te klimmen”, zei ik tegen mijn kinderen: “Goh, daar kan je op klimmen.”

(tekst gaat onder foto verder)

Ik heb hier thuis een winkelkarretje staan en andere speelspullen. Die komen de buurkinderen lenen. Moet je eens kijken hoe kinderen spelen met een winkelkarretje, een verhuishondje met een touw er aan, of een oude bureaustoel. Ze noemen mij hier in de straat: de leenbuurman. En als ze klaar zijn, brengen ze het vrolijk weer terug.

Dat doen ze niet. Dat zit in ons hoofd. Wij bedenken wat er allemaal fout kan gaan, maar dat gebeurt niet. Dat is het perspectief van ons volwassenen, maar wij moeten proberen het perspectief van het kind aan te nemen.
Als je bang bent dat er iets met een auto gebeurt, kan je daar iets over zeggen of even observeren en dan zal je zien dat de meeste kinderen goed opletten.

Dat is een automatisme, maar we kunnen ons beter  inhouden. Want zo verpesten we hun spel. Hou je in, zeg niks, doe niks, doe een paar stappen naar achteren. Het spelen van kinderen is van hen. Een kind moet zelf ervaren wat wel of niet lukt. Je kunt niet zeggen: “Je mag maar tot zover in die boom”. Dat moet het kind zelf ervaren. Misschien gaat het vandaag nog niet zo ver en morgen nog een stapje verder.

Ja, ouders worden door anderen beïnvloed. Ouders die hun kinderen wat vrijer laten en het goede doen, kunnen daarop worden aangekeken door andere ouders. Terwijl het juist andersom zou moeten.

Dus ik heb er alle begrip voor dat het lastig is. Maar ik maak me wel zorgen over de veerkracht en weerbaarheid van deze generatie. Je moet kinderen hun eigen verantwoordelijkheid geven en zelfstandig de wereld insturen.
Kinderen hebben een interne veerkracht, maar die moeten ze wel mogen ervaren. Hoe mooi is het als je die kan oefenen in het spelen: het lukt me niet. Hoe wel?
Dat kunnen ze niet oefenen als volwassenen constant zeggen: kijk uit, pas op. Kinderen moeten af en toe vallen. Wij hebben de opdracht kinderen af en toe te laten vallen.

“Ja”, zeggen mensen dan, “maar als andere kinderen nou zeggen: jij moet in die boom klimmen? Dan moet je toch ingrijpen?” Nee, kinderen moeten elkaar soms een beetje uitdagen. Dat hebben ze ook nodig. Dat helpt je je grenzen te verleggen, of “nee” te leren zeggen. Die kans moeten we kinderen gunnen. Dat moeten wij niet voor hen doen. Als het omslaat naar pestgedrag, moet je natuurlijk wel ingrijpen.

Nee, niet altijd. In de Rommelspeeltuin zijn twee speelwerkers. Die hebben twee belangrijke taken: als eerste nietsdoen en onzichtbaar zijn. Ik noem dat “actief nietsdoen”: je laat alles aan de kinderen. Hun tweede taak is: zorgen voor de veiligheid. Risico en gevaar afwegen. Risico kunnen kinderen zelf inschatten, maar gevaar niet. Dat hangt af van de leeftijd en vaardigheden. Dus af en toe zegt een speelwerker: “Doe maar niet” en dan grijpt hij in.

Als kinderen een vuurtje gaan stoken, met scherpe messen takken gaan snijden, een vlot gaan bouwen of het ijs gaan “uitproberen”,  moet je kijken wat ze zelf kunnen en wat je hen erover moet leren. Daarin moet je een balans zoeken. Ik geef workshops aan buitenschoolse opvangen. Dan geven we kinderen allerlei spullen met uitdaging en bevragen medewerkers elkaar constant: ‘Wat zou jij nu doen?” Dan zegt iemand: “Ik zou nu ingrijpen, want ik denk dat dit gaat gebeuren.” En dan zeg ik: ‘Ik zou nog niet ingrijpen, want ik denk dat het wel goed komt.”

Dus ja: deze manier van spelen levert dilemma’s op. Maar wij denken veel te veel aan wat er mis kan gaan. We hebben het nooit over het voordeel van risicovol spelen voor een kind. Dat hij het mag doen, kan doen, het later aan z’n vriendjes kan vertellen. Dat hij het z’n hele leven meeneemt en er een sterker persoon van wordt. Dat krijg jen niet door op een telefoon te scrollen. Dat kan alleen maar door spelen, hoog in een boom te zitten, of op een dak te staan.’

Interview: Marijke Verduijn
Foto: Martin van Rooijen

Er zijn rommelspeeltuinen in Utrecht, Amersfoort en Groningen. Op verschillende plekken in het land is in de zomervakantie een Huttenbouwweek.
Martin van Rooijen kan initiatieven ondersteunen, maar organiseert ze zelf niet. Hij geeft workshops en/of trainingen aan ouders, speelwerkers, wijkverenigingen enz. en staat open voor vragen van wie iets met dit onderwerp wil of vragen heeft. Hij is te bereiken via De blauwe Ton. 

Lees ook: ‘Waarom nemen we voor lief dat onze kinderen de straat wordt afgenomen?’