//= get_template_directory_uri() . '/vendors/fontawesome/fontawesome/fa-regular-400.woff2' ?> //= get_template_directory_uri() . '/vendors/fontawesome/fontawesome/fa-solid-900.woff2' ?> //= get_template_directory_uri() . '/vendors/fontawesome/fontawesome/fa-light-300.woff2' ?>
Martijn Simons mailde ruim een jaar lang met elf leerlingen van zijn school. In het voetbaltijdschrift Hard Gras had hij al eens een briefwisseling gepubliceerd met een meisje in de zesde. Hij dacht: als ik dit breder trek, zou je dan niet een heel interessante inkijk krijgen in het leven van jonge mensen? Nu is er Beste meneer Simons, een boek met die mailwisselingen. ‘Ik was verrast hoeveel ze nadenken over hun eigen leven en hun positie in de wereld. Ik had soms helemaal niet het gevoel dat ik met veertienjarigen praatte.’
Als Martijn Simons op een feestje vertelt dat hij les geeft, krijgt hij vaak te horen wat er mis is met de jeugd van tegenwoordig. ‘Al die ongefundeerde, merkwaardige beelden over jonge mensen: dat ze oppervlakkig en leeg zijn. Dan denk ik: doe eens moeite om wat langer met een jong iemand te spreken. Waar dan ook, op welke manier dan ook. Nou begrijp ik ook wel dat je niet zomaar een school binnenstapt of je buurjongen aanspreekt. Daarom ging ik op zoek naar leerlingen, van wie ik dacht: jij hebt een stem. En ik vroeg ze hun gedachten, vragen en meningen op te schrijven zoals ze het mij zouden vertellen.
Niet per se, maar ik heb wel gezorgd voor een verdeling tussen jongen-meisje, leeftijd en verschillende culturele achtergrond, maar ik heb niet gekeken naar sociaaleconomische verschillen. Die bleek er wel te zijn.
Ja, dat leverde interessante mailwisselingen op. Voor Nijah, bijvoorbeeld, is black culture iets positiefs: dit is mijn achtergrond en ik heb een verantwoordelijkheid om die te laten zien vanuit kracht en vanuit een eigen motivatie – niet omdat ik daarop word aangesproken.
Voor Oumaima is dat diffuser. Zij voelt heel sterk hoe anderen met haar achtergrond omgaan. Als ze een jaar in de Verenigde Staten op school zit, merkt ze dat haar achtergrond daar geen enkele associatie oproept en dat ze hem niet hoeft uit te leggen. Dat geeft haar een bepaalde mate van vrijheid.
‘Ik stelde heel veel vragen en liet aan hen over waar ze op in wilden gaan. De kernvraag was: wat houdt je echt bezig?Bij sommigen had ik wel een idee en soms ging het daar ook over. Maar soms hadden zij een heel ander idee en dan ging ik daarin mee. Soms was het ook wat meer aftasten. En we moesten ook uitvinden wat bij deze vorm past.
Uiteindelijk bepaalden de jongeren waar het over ging. Zo schreef Rami in zijn allereerste brief dat hij altijd met zijn vader naar Sparta ging, maar dat zijn vader was overleden. Nu ging hij met zijn moeder, maar die wist niets van voetbal. Ik wist niet het van zijn vader. Als ik het wel had geweten, had ik er misschien niet direct naar durven vragen. Maar omdat hij er zelf over begon, kon ik daarover doorvragen.
Ik probeerde altijd door te vragen. Bijvoorbeeld: “Ben je altijd zo zeker? Of zijn er ook dingen waar je minder zeker van bent, je zorgen over maakt, of zelfs bang voor bent?”
Soms moest ik dan weer in mijn hok. Een meisje vertelde dat haar ouders zijn gescheiden. Omdat ze daar zelf over begon, vroeg ik daarover door. Maar op een gegeven moment schreef ze: “Nu wil ik het daar niet meer over hebben.”
Ik heb hun altijd het laatste woord gegeven. Niets ging naar de drukker als zij dat niet wilden. En zeker bij de jongsten zei ik altijd: laat het wel even aan je ouders lezen.
Ik wist wel dat veel kinderen heel erg bezig zijn met doelen en met de vraag: hoe ga ik die bereiken? Ze denken niet: we doen wat we interessant vinden en we zien wel wat dat oplevert.
Zo heb ik zelf heel lang gedacht en nog steeds wel. Maar misschien was dat in mijn tijd makkelijker. De tijden zijn nu onzekerder. Je weet niet of je überhaupt nog een hypotheek kan krijgen en dan helpt een studie die niet per se op een hoog inkomen is gericht niet echt mee.
En voor een aantal geldt ook wel dat hun ouders verwachten dat ze een opleiding gaan doen die bestaanszekerheid garandeert.
Sommige jongeren zijn er ook wel kritisch over. Zo heeft Nijah soms last van faalangst. Zij vraagt zich af waarom scholen zoveel druk leggen op cijfers en presteren en waarom ouders of docenten niet gewoon trots kunnen zijn omdat je naar school gaat en oplet. “Waarom moeten cijfers definiëren wie je bent of wat je kan?” Zij heeft er duidelijke opvattingen over. Zoals dat mindere prestaties ook te maken kunnen hebben met een gebrek aan motivatie, discipline of uitdaging.
Florian is daar heel erg mee bezig, inderdaad. We waren al een tijdje aan het mailen, toen hij mij in de gang aanschoot: “Meneer, iedereen kan dit straks lezen, hè!?” Alsof die consequentie pas toen tot hem doordrong. Ik weet niet hoe hij daar nu in staat. In zekere zin zijn de mails ook een momentopname. Hij was nog heel jong toen we elkaar schreven en in de onderbouw veranderen kinderen heel snel.
Ja, daar stond ik ook wel van te kijken. Ze begon daar zelf over. Ze vond het dus belangrijk en kon het ook goed opschrijven. En ik vond het belangrijk om het op te nemen. Er zit ook iets in van: wie ben jij om zo’n bijzondere positie voor jezelf te claimen? Ik had het zelf nog nooit gehoord, maar waarom zou het niet ook op andere plekken voorkomen?
Er is veel aandacht voor kinderen die niet de gebaande paden kunnen volgen, maar je kunt dus ook aan de bovenkant een soort uitsluitingsmechanisme ervaren. Ik vond het belangrijk dat te laten zien.
Ja, dat verraste me. Ik ken zijn ouders en ik denk dat zij dit misschien niet zo herkennen, maar ik heb het toch opgenomen, omdat hij het wel zo ervaart.
In z’n algemeenheid denk ik wel dat veel kinderen de druk van ouders voelen. Ze leggen zichzelf niet alleen dingen op omdat ze dat bij leeftijdsgenoten zien.
Ouders hoeven dat niet altijd met zoveel woorden te zeggen. Het kan ook zijn dat je zus het heel goed doet en je merkt dat je ouders heel trots op haar zijn. Ook al beginnen ze daar nooit over tegen jou, dan kan je toch voelen: ik moet óók goed presteren.
Als ik er één ding uit moet halen, zou ik zeggen: de mate waarin ze in staat zijn om na te denken over hun eigen leven en hun positie in de wereld. Ik had soms helemaal niet het gevoel dat ik met veertienjarigen praatte. Dat doen ze veel meer dan ik op die leeftijd. En dat vind ik bijzonder. Als je heel goed over jezelf en je eigen positie kan nadenken, is de kans groot dat je ook op een empathische manier kan nadenken over anderen. Dat vind ik hoopvol.’
Interview: Marijke Verduijn
Foto: Deirdre Noten
Martijn Simons: Beste meneer Simons, middelbare scholieren in gesprek met hun leraar over wat hen echt bezighoudt. Thomas Rap, 2026. € 23,99