Jongens opvoeden (tot zachte en zelfverzekerde mensen)

Jongens opvoeden (tot zachte en zelfverzekerde mensen)

Wat is er toch aan de hand in de wereld, vroeg Ruth Whippman zich af. En hoe is het om nu op te groeien als jongen? Om een antwoord op die vraag te krijgen, interviewde ze tientallen jonge mannen en wetenschappers. In het boek BoyMom vertelt ze wat ze ontdekte.

Van de jonge mannen hoorde ze hoe lastig die het vonden om man te zijn. Een echte man weet wat hij wil, is proactief, zelfverzekerd en gespierd. Veel geïnterviewde jongens zeiden: de standaard is zó hoog; ik kan daar niet aan voldoen.

Tegelijkertijd horen ze van vrouwen: jullie zijn lang genoeg aan de macht geweest; het wordt tijd dat jullie een toontje lager zingen. Dat maakt hun positie knap ingewikkeld. Al bij zoiets veelvoorkomends als een date worden ze geacht de eerste stap te zetten en proactief te zijn, maar als het op seks uitdraait ook toestemming vragen.

Dat maakt het allemaal zo ingewikkeld, dat veel jonge mannen zich liever terugtrekken in de online wereld. In de wereld van videogames zijn de regels duidelijk, weten ze wat van hen wordt verwacht en kunnen ze meekomen. Maar daar komen ze ook in aanraking met de manosphere, die hun onzekerheid voedt met wrok, gevoelens van superioriteit tegenover vrouwen en andere giftige opvattingen over mannelijkheid.

Whippman is hen steeds meer gaan begrijpen. Natuurlijk ziet zij ook dat er voordelen zitten aan man-zijn. En ze vindt zeker dat we onze zonen en dochters moeten leren wat privileges zijn, waar je ze tegenkomt en hoe je ze kunt bevragen en de schadelijke kanten ervan kunt tegengaan. Maar zij heeft in haar interviews gemerkt dat de meeste jonge mannen die privileges in hun eigen leven echt niet herkennen. ‘Het zijn tieners. Wat heeft het met hen te maken dat ergens ver weg op Wall Street witte mannen de dienst uitmaken?’ De praktijk is, zegt Whippman, dat het zeker grote voordelen heeft om man te zijn, maar dat jongens en mannen door hun privileges ook schade oplopen.

Die schade begint volgens haar al in de opvoeding. Ouders gebruiken andere taal in de omgang met hun jongens. Meisjes worden vaker op schoot getrokken, gevraagd naar hun gevoelens, terwijl met jongens meer wordt gestoeid. Ouders laten hun zonen vaker wegkomen met onwenselijk gedrag dan hun dochters. ‘Jongens zijn nu eenmaal jongens.’ En van jongens wordt vaak minder verwacht dan van meisjes. ‘Maar je moet soms vervelende dingen doen. Als je het belangrijk vindt om er goed uit te zien, is het goed dat je de wasmachine kan bedienen.’

Whippman noemt al deze dingen samen  een destructieve combinatie van verwennerij en verwaarlozing. Want net als meisjes, zijn jongens kwetsbare complexe, emotionele wezens. Van de wetenschappers die Whippman interviewde, leerde ze dat ze zelfs kwetsbaarder zijn. Uit onderzoek blijkt dat meisjes bij de geboorte een paar weken verder zijn in hun ontwikkeling en daardoor wat weerbaarder en minder afhankelijk zijn.

Dat brengt Whippman tot dit inzicht: laat jongens zien dat hun gevoelens ertoe doen, vraag ernaar, help hen er wijs uit te worden. Luister naar ze. Allereerst thuis.

Maar ook daarbuiten moeten we meer luisteren naar de gevoelens van mannen. ‘We luisteren teveel naar de meningen van mannen en jongens, maar te weinig naar hun emoties. We moeten mannen vaker vragen: hoe voel je je? Mannen aan mannen. Vrouwen aan mannen. En we moeten elkaar minder wegzetten, minder negatief over elkaar praten. ‘Het is geen competitie. We zitten er samen in.’

Hoe zoiets in de opvoedpraktijk kan uitpakken, kun je zien op een aantal scholen in IJsland. Daar zag schooldirecteur Margrét Pála Olafsdóttir hoe de jongetjes op het schoolplein en in de klas vaak vanzelfsprekend de ruimte innamen en de meisjes zich vaak schikten. Ze probeerde daar wel iets aan te doen, maar dat kostte bakken energie en werkte eigenlijk niet. Ze was vooral bezig tegen de jongens te zeggen dat ze dit niet mochten doen, dat niet mochten aanraken, stil moesten zitten. En de meisjes aan te moedigen meer voor zichzelf op te komen en aandacht op te eisen. Daardoor kregen ze allemaal vooral het gevoel dat ze niet goed waren zoals ze waren. En als ze eerlijk was, veranderde er ook niet zoveel. Dat bracht haar tot het inzicht: er is niets mis met deze jongens en meisjes, maar ze zijn verkeerd geconditioneerd.

Daarop ontwikkelde ze een onderwijssysteem – het Hjalli-model – waarin jongens en meisjes een groot deel van de dag uit elkaar worden gehaald en apart dezelfde lessen volgen. Daarbij worden alle kinderen aangemoedigd om verschillende activiteiten aan te gaan, ook dingen waar ze van nature niet in zijn geïnteresseerd of die ze niet durven. Op haar scholen mogen jongens rennen, klimmen, superhero spelen en schreeuwen, maar leren ze ook heel bewust ‘zachtere’ kwaliteiten als zorgzaamheid, intimiteit, elkaar helpen.

Meisjes worden aangemoedigd hun grenzen te verleggen: van een hoogte te springen, op onderzoek uit te gaan, lawaai te maken of opzettelijk de regels te overtreden. De meisjes spelen soms viking, de jongens zitten soms achter een naaimachine. Zo kunnen jongens ontdekken dat ze goed zorgen en dansen, en meisjes dat ze goed kunnen timmeren en bouwen. En zo komen niet alleen de meisjes, maar ook de jongens beter voor zichzelf op.

En er wordt gepraat – heel veel gepraat en heel veel voorgelezen, zodat de kinderen hun eigen emoties herkennen: zo voelt het om boos te zijn, of verdrietig, of bang en wat kan ik daaraan doen? ‘Ons uitgangspunt is dat alle kinderen toegang zouden moeten hebben tot alle aspecten van het leven: alle activiteiten, alle emoties.’ Terwijl de meisje buiten rennen, masseren de jongens binnen elkaars handen en armen.

Oudere jongens die als puber op deze schooltijd terugkijken, herinneren zich die massages als een ontspannen moment. Nadenkend zegt één van hen: ‘Ik denk dat mannelijkheid meer zou moeten worden geformuleerd in termen van je emotioneel open kunnen stellen voor andere mensen dan in termen van gewichtheffen.’

‘Ik denk’, zegt directeur Olafsdóttir, ‘dat sommige mensen bang zijn dat we door onze opvoeding iets wegnemen. Dat we een jongen bijvoorbeeld beroven van zijn “jongensachtigheid.” Maar dat is niet zo. We nemen niets weg, we voegen alleen maar toe. We bieden de kinderen alles aan, zodat elk kind kan kiezen uit het volledig spectrum dat het leven het bieden heeft, in plaats van uit de helft.’

Tekst: Marijke Verduijn