‘Weeg je angsten af’

‘Weeg je angsten af’

Mijn kinderen zijn nu 13 en 16. Ze vliegen over een paar jaar uit en ik vraag me regelmatig af of ik ze genoeg heb meegegeven om ze dan op eigen benen te laten staan. Dat is altijd een dilemma. Als mijn zoon van 13 naar de skatebaan gaat, roept mijn vrouw: “Doe je voorzichtig?” Dat zeggen we als ouders zó standaard. Ik heb het ook op m’n lippen. Maar ik roep dan soms: “Doe maar niet voorzichtig! Anders leer je dat nieuwe trucje nooit, of leer je nooit Indroppen.”  
Ik zeg wel: “Doe nou die beschermers aan. Dan kun je tenminste goed vallen.”

Mijn dochter gaat vanaf haar twaalfde alleen met de trein naar oma, met overstappen en al. Ik ben haar dat rond haar tiende, elfde gaan leren. Zij moest uitzoeken welke trein we moesten hebben. Ik ging wel mee, maar ik zei niks. Ik weet nog dat we een van de eerste keren al in de coupé zaten en ze opeens vroeg: “Is dit de goede?” “Nee”, zei ik, “dit is niet de goede.” We konden er nog net op tijd uitspringen.
De keren daarna ging ik in een andere coupé zitten. En daarna ging ze alleen. Dat ging een keer mis, natuurlijk. Toen belde ze: “Ik ben vergeten uit te stappen!” Dat los je dan samen op. Dan is zo’n telefoontje wel handig. Nu draait ze er haar hand niet meer voor om. Ik vind het fijn dat we haar dat hebben meegegeven.

In mijn boeken zet ik ouders graag op een afstandje. In het echte leven zijn ouders altijd dichtbij, maar in mijn boeken wil ik kinderen graag laten zien: je kan het wel. Je kan het ook alleen. Als je echt in de problemen komt, kun je het oplossen.
In Geel gras, mijn eerste boek, wordt een meisje wakker op de camping, waarna ze ontdekt dat haar ouders haar vergeten zijn. Wat doe je dan? Wat doe je, als je niet op je ouders kan leunen? Dan zijn er je vrienden, je broer, je zus of een huisdier. Je moet op elkaar kunnen bouwen, samen plannen kunnen smeden en de slechteriken om de tuin kunnen leiden. Dit meisje loopt in zeven sloten tegelijk, maar ze komt ook heel ver. In een verhaal kan dat heel mooi. Mijn boeken gaan om de ruimte die kinderen voelen of nemen.

In Hart van staal, een boek dat in de toekomst speelt,  zijn de rollen zelfs omgekeerd. Daar zijn de kinderen de sterkste. Als ze op een nacht ontdekken dat hun ouders met hun ogen open slapen en dat er blauw licht uit hun oren komt, beginnen ze te vermoeden dat het robots zijn die de plek van hun echte ouders hebben ingenomen. En dan gaan ze op zoek naar hun echte ouders om die te bevrijden. Daar worden de kinderen de grote helden en zijn de ouders afhankelijk van hen. Ik vond het heel leuk om die omkering een keer te doordenken.

Ja, natuurlijk. Die angst is verschrikkelijk. Enorm. Tell me about it. Er is niks ergers dan dat je kind iets is overkomen omdat jij nalatig bent geweest. Maar zie het in verhouding. Het is te makkelijk om te kiezen voor altijd veilig, een kussentje eronder zodat het niet hard valt. Pijn hoort ook bij het leven. Dus – hoe verschrikkelijk ook – je moet je niet laten bepalen door die 0,000001 kans dat het mis gaat.
Er zijn natuurlijk manieren om in de buurt te blijven: op een afstandje staan, om een hoekje kijken. Maar gun ze alsjeblieft hun vrijheid en hun ruimte. Ik hoop dat ouders door het lezen van mijn boeken vanuit het kind begrijpen wat die vrijheid biedt.’

Interview: Marijke Verduijn
Foto: Renske Derkx

Simon van der Geest schrijft kinderboeken en -poëzie en theaterstukken, soms geïnspireerd op klassieke- of Bijbelverhalen. Zo speelt vanaf 20 december zijn jeugdopera De Bremer Straatmuzikanten (8+), met Holland Opera. Tijdens de Paasdagen speelt zijn Zapp Mathheüs (8+), een bewerking van de Matthäus-Passion, met Capella Amsterdam. Hij kreeg twee keer een Gouden Griffel voor het beste Kinderboek. In 2013 voor Spinder, een roman over de strijd tussen twee broers. En in 2011 voor zijn Odyssee-bewerking Dissus – geïnspireerd op de verdwaaltochten in weilanden die hij als kind maakte. Zijn nieuwste dichtbundel is Plassen op schrikdraad.