Vertrouwen in de toekomst en in kinderen

Vertrouwen in de toekomst en in kinderen

Overdenking bij het verhaal van de 12-jarige Jezus door Essemie van Dunné.

Laatst vertelde een vrouw dat ze net grootmoeder was geworden. Ze volgt het nieuws en kan het niet rijmen met dat kindje dat in deze wereld moet leven. Ze somde op: het klimaat dat sneller en sneller verandert en de mensheid die te weinig doet, oorlogen, de opkomst van extreemrechts, de lelijkheid op social media… Om wanhopig en somber van te worden. Niet een wereld om een kind geboren te laten worden. Haar zorgen om dit kind overmanden haar.

Er zat ook een vrouw bij, niet lang daarvoor bevallen van haar tweede kind. Ze had te kampen met doorwaakte nachten omdat één kind slecht slaapt en één slecht eet, en ze kampt met met buikgriep en corona, krentenbaard, keelontstekingen.

Ze glimlachte dapper en hoorde, geloof ik, niet veel van wat de jonge grootmoeder bewoog. Haar zorgen waren, terecht, even van een andere orde. Wanneer kan ik in hemelsnaam weer eens gewoon doorslapen?, was de belangrijkste.

Ik voelde met allebei mee. De moeder was een beetje aan het overleven, de wallen onder haar ogen vertelden een eigen verhaal. De grootmoeder voelde de wanhoop over de wereld sterker dan ooit eerder in haar leven.

Ik moest denken aan een verhaal uit het bijbelboek Lucas.
Een twaalfjarige jongen en zijn ouders gaan jaarlijks naar Jeruzalem, om het Joodse Paasfeest (Pesach) te vieren. Ze reizen samen met vrienden en bekenden en zijn meerdere dagen onderweg. De reis is al onderdeel van het feest: ze wandelen al pratend en lachend, etend en drinkend. De kinderen lopen in de buurt van hun ouders, de tieners lopen met elkaar op.

Als ze in Jeruzalem komen, valt de groep uit elkaar. Veel deuren in Jeruzalem staan open voor familie en vrienden van buiten. Wie niemand kent, zoekt een herberg en verblijft daar, met velen op een kamer, want Jeruzalem is vol.

Na het Pesachfeest begint de terugtocht. De tassen, die bevrijd zijn van alle lekkers en geschenken voor de gastheren en -vrouwen, zijn weer gevuld met souvenirs en heerlijkheden voor thuis.

En zo wandelen ook deze ouders terug. Hun zoon is twaalf en zal vast en zeker bij de tienergroep lopen, zoals op de heenweg. Het is loslaten, met deze jongen. Hij is lief, behulpzaam en serieus, dat is fijn. Maar hij is ook eigenzinnig en vastberaden. Zijn ouders weten allang dat als hij iets in zijn hoofd heeft, het dan ook gebeurt. Ze hebben op zijn intuïtie leren vertrouwen: zijn plannen pakken steeds goed uit. Mensen mogen hem, hij is slim en geïnteresseerd en blijkt, zo jong als hij is, al over heel wat mensenkennis te beschikken. Hij zal niet in zeven sloten tegelijk lopen.

Hun kind is bijzonder, dat weten ze, maar ze weten ook dat wel meer ouders hun kind bijzonder vinden. Het zal allemaal wel goed komen met hem, geen zorgen over dit kind.

De eerste wandeldag terug loopt ten einde. Tieners melden zich bij hun ouders voor het avondeten en de nacht. Zo niet hun zoon. Ze lopen langs de groepjes etende mensen: “Hebben jullie ons kind gezien?” Niemand heeft hem gezien, zijn vrienden zijn ervan uitgegaan dat hij bij zijn ouders liep.

Er zit niets anders op dan terug te keren. Maar wel pas de volgende dag; in het donker is het te gevaarlijk. Slapen doen ze niet, en heel vroeg lopen ze de volgende dag weer terug naar de stad.

Ze zoeken overal, ze vragen overal. En uiteindelijk, drie dagen nadat ze ontdekten dat hij niet bij hen was, vinden ze hem. Na drie dagen van angst, wanhoop en paniek en het vreselijkste niet durven denken, lopen ze de tempel binnen. En daar zit hij, tussen de leraren van de tempel.

Zijn ouders blijven staan en kijken. Daar zit hun kind, vol zelfvertrouwen, in zijn element. Luisterend, denkend, vragen stellend, zoekend naar woorden. Zijn ogen kijken afwisselend ernstig, vurig, vrolijk. De leraren om hem heen lijken er plezier in te hebben naar hem te luisteren en zijn vragen te beantwoorden, en hém vragen te stellen.

Zo staan ze daar, zijn ouders. Trots, misschien. Maar ze weten ook dat dit een ommekeer inluidt. Deze zoon verlangt naar zoveel meer dan zij hem kunnen geven. Zal hij nog achteromkijken? Hoelang duurt het nog voor hij hen zal verlaten? Of is dat nu ineens zo gebeurd? En waar eindigt het?

Het vertrouwen in hem, en dat het goed komt allemaal, wankelt. Nu staan de leraren versteld van het inzicht en de antwoorden van een jongen van twaalf jaar oud. Maar straks, als hij volwassen is? Zal het dan zo blijven? Of zullen ze hem dan irritant vinden, een onruststoker, of misschien zelfs gevaarlijk?

Angst neemt bezit van hen. Hij moet hier weg, ze moeten hem bij zich houden en niet meer zo makkelijk uit het oog verliezen. Ze stappen op hem af, en vooruitlopend op wat er kon gebeuren, ooit, als hij zijn eigen pad zou blijven kiezen, zeggen ze: “Kind, wat heb je ons aangedaan? We hebben met angst in het hart naar je gezocht.”

Hoe moet dan gaan, later? Moeten we altijd bang zijn, steeds als jij je eigen pad kiest? Hebben we vanaf nu nooit meer rust, omdat je vragen wilt stellen? Omdat je je wil bemoeien met zaken die ver boven ons uitstijgen? Omdat je denkt dat je de wereld kan veranderen? Moeten wij daarom, vanaf vandaag, elke dag, elk moment van de dag, bang zijn?

Hij gaat bij ze staan: “Ik heb geen keus. Ik weet wat ik verlang, en waar mijn thuis is. Ik verlang naar vrijheid, naar leven, naar liefde, ik heb naast jullie huis, nog een huis waar ik wil zijn. Ik noem het maar het huis van mijn vader, in het huis van mijn vader zal ik leren hoe dit alles te bereiken. Ik kan de gebaande paden niet gaan, dat zijn niet de mijne. Als jullie me zoeken, je zorgen maken, omdat ik niet bij jullie ben gebleven, dan weten jullie waar me te zoeken, waar heen te gaan met je zorgen.
Er is een dag waarop jullie me niet meer terugvinden. Zoek me ook dan in dit huis.”

Met zijn drieën nu, Jezus, Jozef en Maria, volgen ze de lange weg naar huis. Alles is hetzelfde en alles is anders. En zijn moeder neemt alles wat hij gezegd had, mee in haar hart.

Op deze site – Zin in opvoeding – vertelt Daan Roovers, voormalig Denker des vaderlands, hoe onze kijk op de wereld invloed heeft op die van kinderen. Op de rol die ze erin zullen spelen. Geef je het kind vertrouwen in de wereld, dan zal het met vertrouwen een plaats durven innemen en dingen kunnen veranderen. Elk kind draagt een nieuw begin in zich.

Jozef en Maria maakten zich grote zorgen. Ze vertrouwen de wereld niet. En ze blijken een punt te hebben, trouwens. En toch laten ze hun zoon gaan. Want vooral met hun vertrouwen heeft hij de kracht zijn plaats in te nemen. Een verschil te maken.

‘Amor Mundi’, noemt Hannah Arendt die houding. Liefde voor de wereld. Opvoeden gaat volgens haar over twee dingen: liefde voor kinderen en liefde voor de wereld.

Liefde voor de wereld behouden, betekent niet dat we wegkijken, weglachen, bagatelliseren. Het betekent niet dat we geen pijn over de wereld mogen voelen, dat we geen vragen mogen stellen als: hoe in godsnaam komt dit goed?

Maar wanhoop kunnen we ons niet permitteren.
Stoppen met spreken over hoop, stoppen met zoeken naar het goede in de mens, stoppen met geloven dat licht sterker is dan de het donker, dat het leven het wint van de dood: dat is het ergste wat we kinderen kunnen aandoen. Dan is niet de wereld het gevaar, maar onze wanhoop.

Als het ons lukt om de liefde voor de wereld te behouden, dan is dat een ultieme daad van liefde voor kinderen. Liefde voor het kind in onszelf en in ieder ander mens.

We moeten maar durven.

Amen.

Essemie van Dunné is Doopsgezind voorganger in Amsterdam Noord en verzorgt daar ook het Doopsgezind kinder- en jongerenwerk.